Evenwicht tussen soorten

De natuurgebieden op de Linkerscheldeoever zijn relatief klein en daardoor kwetsbaar, terwijl de ambities en wettelijke natuurdoelen in het instandhoudingsgebied hoog liggen. Vlaanderen bevindt zich bovendien in wat vaak wordt omschreven als een ‘intensive care’-situatie voor de natuur: veel soorten staan onder zware druk en tal van populaties zijn bedreigd of kwetsbaar zoals onze doelsoorten – waaronder weidevogels en strand- en plasvogels – die vaak geconcentreerd broeden op een zeer beperkte oppervlakte. Door de sterke inkrimping en versnippering van de open ruimte is er geen sprake meer van een volledig “natuurlijke” situatie waarin ecosystemen zichzelf kunnen reguleren. Natuurlijke processen spelen zich vandaag af binnen een sterk door de mens beïnvloede en begrensde context.

 

In die omstandigheden is niet-ingrijpen geen neutrale keuze. Om het voortbestaan van kwetsbare soorten te waarborgen, is het noodzakelijk om actief tussen te komen in natuurlijke processen en gericht te sturen waar het evenwicht verstoord raakt. Daarom kiezen we bewust voor een actief en doordacht beheer dat inzet op het bewaren en herstellen van ecologisch evenwicht. Dat evenwicht staat onder druk door uiteenlopende factoren, zoals predatie, sterk veranderende vogelpopulaties en nieuwe ziekterisico’s. 

Vos 

De vos was lange tijd zeldzaam of afwezig in grote delen van Vlaanderen, maar heeft zich de voorbije decennia opnieuw sterk verspreid. Die terugkeer hangt samen met veranderde landschappen, een hoge voedselbeschikbaarheid en een grote aanpassingscapaciteit van de soort. In een versnipperd en door de mens gestuurd landschap leidt die herkolonisatie ertoe dat predatoren en kwetsbare prooisoorten elkaar vaak ontmoeten op kleine, geconcentreerde oppervlaktes. Waar veel prooien aanwezig zijn, volgt dan ook een hogere predatiedruk.

 

Rond 2018 werd vastgesteld dat het broedsucces van onze weidevogels sterk en abrupt was teruggevallen. Monitoring toonde aan dat predatie door de vos hierbij een doorslaggevende rol speelde. Deze vaststellingen maakten duidelijk dat ingrijpen noodzakelijk was om het voortbestaan van deze kwetsbare doelsoorten te vrijwaren. Vanuit die context hanteren we een duidelijke visie: predatiebeheer staat nooit op zichzelf, maar maakt steeds deel uit van een bredere gebiedsaanpak. We zetten daarbij in de eerste plaats in op het structureel veiliger maken van de broedgebieden:

 

  • open houden van het landschap door verruiging en verbossing te beperken;
  • aanleg van bredere en diepere waterpartijen rond broedeilanden;
  • plaatsing van elektrische rasters om kwetsbare kerngebieden af te schermen.

 

Door deze maatregelen worden gebieden in toenemende mate “vosproof” ingericht. Waar nodig zijn onze natuurgebieden uitgerust met elektrische rasters: in totaal gaat het om ongeveer 30 kilometer raster, die regelmatig worden nagekeken en onderhouden door boswachters en arbeiders. Monitoring toont aan dat het broedsucces hierdoor volledig is hersteld en in sommige gevallen zelfs hoger ligt dan voorheen..

 

Afschot gebeurt enkel als laatste stap en uitsluitend binnen afgerasterde gebieden waar zich nog vossen bevinden. Buiten deze zones laten we de vos ongemoeid. De vos is en blijft een inheemse soort die thuishoort in het landschap. Ons beheer is erop gericht om binnen de huidige ruimtelijke realiteit een evenwicht te bewaren tussen predator en kwetsbare doelsoorten.

 

Gevleugelde predatoren

Ook gevleugelde predatoren spelen een rol in de dynamiek van onze natuurgebieden en kunnen, afhankelijk van soort en context, een invloed hebben op broedvogels. Grote meeuwen, zoals zilvermeeuw en kleine mantelmeeuw, komen momenteel nog in beperkte aantallen voor op de Linkerscheldeoever, maar hun aanwezigheid kan toenemen naarmate de estuariene natuur uitbreidt en nieuwe broedeilanden worden ingericht.

 

Deze meeuwen prederen eieren en kuikens van kwetsbare soorten en kunnen bovendien broedplaatsen innemen die bedoeld zijn voor kleinere doelsoorten, waardoor de beschikbare broedruimte onder druk komt te staan. Ook kraaien dragen bij aan deze druk. Zij maken gebruik van hoge bomen als uitkijk- en nestplaats, terwijl veel van onze doelsoorten net open, boomarme landschappen verkiezen en dergelijke structuren mijden.

 

Tegelijk maken gevleugelde predatoren integraal deel uit van een gezond en functionerend ecosysteem. Soorten zoals bruine kiekendief en blauwe kiekendief zijn kenmerkend voor open en natte landschappen en vervullen een belangrijke ecologische rol binnen het voedselsysteem. Ook de zeearend, die zich de voorbije jaren opnieuw in Vlaanderen vestigt, is een icoonsoort van grootschalige en dynamische natuur. Deze roofvogels prederen voornamelijk op vissen, watervogels en aas en dragen zo bij aan natuurlijke regulatieprocessen.

 

Ons beheer is er daarom niet op gericht om gevleugelde predatoren te weren, maar om via inrichting en habitatsturing een evenwicht te creëren tussen predatoren en kwetsbare doelsoorten. We zorgen voor een voldoende groot en gevarieerd aanbod aan broedeilanden, verspreid over het gebied, en werken met verschillende vegetatiestadia – van kale en vegetatiearme eilanden tot eilanden met meer ontwikkelde begroeiing. Daarnaast behouden en versterken we grote open gebieden door boom- en struikopslag gericht te rooien. Zo bewaken we het open karakter van het landschap waar onze doelsoorten sterk van afhankelijk zijn.

 

Op die manier streven we naar een evenwichtige en veerkrachtige natuur, waarin ook gevleugelde predatoren hun plaats hebben, zonder dat dit het voortbestaan van kwetsbare doelsoorten in het gedrang brengt.

 

Ganzen

Ganzen vormen een waardevol en karakteristiek onderdeel van de Scheldenatuur. Soorten zoals grauwe gans, brandgans en kolgans zijn typische wintergasten in het Vogelrichtlijngebied op de Linkerscheldeoever. De combinatie van open polderlandschap, natte natuurgebieden en productieve landbouwpercelen maakt het gebied bijzonder aantrekkelijk voor overwinterende ganzen.

 

Waar deze soorten vroeger in de zomer grotendeels naar hun noordelijke broedgebieden trokken, blijven steeds meer ganzen ook tijdens de zomermaanden in onze regio aanwezig. Deze trend is waarneembaar in heel West-Europa en hangt samen met de beschikbaarheid van voedsel en geschikte natte natuurgebieden. Daarnaast speelt klimaatverandering vermoedelijk een rol: mildere winters en veranderingen in de Arctische broedgebieden verminderen voor sommige populaties de noodzaak om jaarlijks grote afstanden af te leggen.

 

Naast de inheemse overwinterende ganzensoorten nemen ook populaties van uitheemse ganzen toe, zoals Canadese gans en Nijlgans.

 

De toenemende aantallen ganzen brengen uitdagingen met zich mee in verschillende contexten. In natuurgebieden kan een hoge ganzendruk leiden tot vermesting van water door nutriënten uit uitwerpselen, schade aan rietvegetaties en verstoring van broedgebieden van kwetsbare soorten. In de landbouw veroorzaken grote groepen ganzen vraatschade aan gewassen en graslanden. Intensief grazen en betreden van percelen kan bovendien de bodemstructuur aantasten, waardoor graslanden verslempen en moeilijker te beheren worden. Ook binnen de havencontext doen zich knelpunten voor: uitwerpselen vervuilen infrastructuur en terreinen, en grote groepen vogels kunnen in bepaalde situaties een risico vormen voor de veiligheid van havenactiviteiten.

 

Om deze uiteenlopende uitdagingen op een gecoördineerde en evenwichtige manier aan te pakken, werken natuurbeheerders, landbouworganisaties, havenpartners, overheden en  jagers samen binnen een Werkgroep Ganzen. Binnen deze werkgroep wordt gewerkt aan een gebiedsgericht ganzenplan.

 

Vogelgriep

Sinds 2020 duikt het H5-vogelgriepvirus geregeld op bij wilde vogels in Vlaanderen. De ziekte lijkt zich intussen structureel te hebben gevestigd in de Europese vogelpopulaties, waardoor het risico op vogelgriep het hele jaar door aanwezig blijft. De voorbije jaren werden vooral watervogels zoals ganzen en eenden getroffen, maar ook meeuwachtigen en verschillende roofvogels testten positief. Na een rustigere periode in 2024 stijgt de viruscirculatie opnieuw sinds het najaar van 2025.

 

Op basis van de meest recente inschatting voor de LSO-regio geeft het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek aan dat vogelgriep momenteel slechts in lichte mate en zeer sporadisch wordt vastgesteld. In het najaar van 2025 werd een grotere impact gevreesd, maar voorlopig blijft de situatie beheersbaar. Sporadisch worden besmette vogels zonder zichtbare symptomen aangetroffen, die het virus kunnen dragen. De situatie wordt verder opgevolgd. Algemene richtlijnen over de omgang met vogelgriep zijn hier te raadplegen. Specifieke richtlijnen voor bedrijven in de Antwerpse haven zijn terug te vinden in de onderstaande fiche.

 

Document vogelgriep_havengebied.pdf (249.68 KB)