Strand en plas

Het leefgebied ‘strand en plas’ of ‘surrogaatkust’ bestaat uit ondiepe plassen en kale zandvlakten, soms met pioniersvegetatie (geen of korte begroeiing). Dit type leefgebied is vooral belangrijk als broed- en foerageergebied voor kust- en koloniebroeders en voor de rugstreeppad.

Doel
compensatie Deurganckdok: 200 hectare

Soorten van dit leefgebied

Doortrekkers & Overwinteraars
Andere beschermde soorten

Voor de soorten van deze groep, zoals Kluut en Visdief, werd jaarlijks meermaals bijgestuurd in beheer en inrichting, dikwijls ook ad hoc. Dit was vooral het geval in de periode 2000-2010, toen nog een groot aandeel van deze soorten in de werfzone van het Deurganckdok voorkwam. Tijdens de broedseizoenen moesten toen extra maatregelen genomen worden om grote schade te voorkomen: het weggraven van een kolonie Visdieven, het verdrinken van kolonies Kluten, nestverstoring van Strandplevieren … Eens deze zone economisch ingevuld werd, moesten de soorten van Strand en plas terugvallen op de voor hen aangewezen compensatiegebieden. Dit lukte nauwelijks. De aantallen waren hier heel laag, in sommige jaren werd geen enkele broedvogel opgetekend en sommige soorten bleven afwezig. De zoektocht naar opvanggebieden, dikwijls met een tijdelijke inrichting, verliep moeilijk. De weidevogelgebieden en in sommige jaren ook de Verrebroekse Plassen vingen sommige soorten ten dele op. Deze gebieden zorgden ervoor dat de populaties van Kokmeeuw, Zwartkopmeeuw en Kluut in het Linkerscheldeoevergebied behouden bleven. Na het voorzien van broedvlotjes was dit ook het geval voor de Visdief die hierdoor zelfs een standvastige populatie kon opbouwen met behoorlijk broedsucces. Ondanks heel wat recente inrichtingen die ook de Strandplevier ten goede kwamen, speelden we deze soort als broedvogel kwijt. Het bezoek van een mannetje aan het broedeiland van Prosper-Hedwige deed de hoop op een territorium weer toenemen, maar deze verwachting werd niet ingelost. 

 

Uiteraard speelt net zoals voor de weidevogels ook het probleem van predatie en predatie mijding. Tijdelijke beschermingsmaatregelen werden gecombineerd met inrichting. In Prosperpolder Noord (voor de ontpoldering in het najaar van 2022), op de Vlakte van Zwijndrecht én op het Doeldok werd deze strategie succesvol toegepast sinds 2022. Zowel Kluut, Visdief, Zwartkopmeeuw als Kleine Plevier reageerden hierop met stijgende aantallen. Deze acties waren cruciaal om de populatie van Kluut weer op het huidige hoge niveau te krijgen na een behoorlijk dip enkele jaren daarvoor. Naast de aanwezigheid van het aantal broedparen dat weer dichter bij de doelen komt, was ook het broedsucces doorheen de laatste jaren behoorlijk. Dit kon cijfermatig aangetoond worden voor Visdief, Kokmeeuw en Zwartkopmeeuw. Voor Kluut en Kleine Plevier werd dit de laatste jaren zo ook ingeschat op basis van heel wat vliegvlugge jongen.

Beheer en aanbevelingen

Inrichtingsbeheer

Strand-en-plasgebieden zijn ingericht als open landschappen met natte stukken (poelen, greppels, slikplaten). Om te functioneren als leefgebied moet een gebied minstens 50 à 100 hectare groot zijn en in een gebufferd geheel liggen. Voor broedvogels zijn (elektrisch afgerasterde) eilanden van primordiaal belang. Ook waar geen eilanden liggen, kan (elektrische) uitrastering de predatiedruk verminderen. Prosperpolder Noord beschikt sinds de inrichting over 70 hectare broedgebied op enkele broedeilanden. In de toekomst zal 40 hectare van die broedgebieden (na aanpassing) onderdeel blijven uitmaken van dit stuk estuarien gebied.

Omvormingsbeheer

Een open landschap is van fundamenteel belang in de leefgebieden van strand- en plasbroeders. Waar nodig moeten we terug naar de pionierssituatie door de openheid te herstellen en verruiging te verwijderen. In 2018 bleek dat het dringend nodig was om de openheid van Prosperpolder Noord te herstellen om dit gebied weer functioneel te maken voor de koloniebroeders die later op de broedeilanden een plaats krijgen. De verhoopte verhoging van het aantal broedvogels en van het broedsucces viel in 2019 tegen. Daarom namen we heel wat bijkomende maatregelen voor strand- en plasbroeders om de staat van het gebied, in afwachting van de grote werken binnen het Hedwige-Prosperproject, manifest te verbeteren: we richten extra broedeilanden in en plaatsten er elektrische afrastering rond en we haalden alle opgaande vegetatie vlaktegewijs weg.

Eindbeheer

Intensief beheer is nodig om de pionierssituatie in stand te houden. Verder is er behoefte aan een dynamisch waterpeilbeheer. Waar dat niet mogelijk is, moet de vegetatie gemaaid (en afgevoerd) worden of moet er zelfs geplagd worden. Dat moet jaarlijks gebeuren, ruim voor het broedseizoen. Na verloop van jaren kan het aangewezen zijn om zand of schelpengruis toe te voegen om het pionierskarakter te behouden. Een alternatief is om de bodem grondig om te keren en te egaliseren. Overig beheer Rust is onontbeerlijk voor de broedvogels van strand en plas. Zeker tijdens het broedseizoen is het daarom noodzakelijk om het gebied af te sluiten voor recreanten. Weidevogelrasters, maar ook schapenafrasteringen hebben als bijkomend voordeel dat ze ook mensen op afstand te houden, zeker tijdens het broedseizoen. Aanbevelingen Maatregelen om roofdieren te weren, zoals elektrische afrastering en brede waterpartijen rond broedeilanden, zijn bijzonder belangrijk. Ook waar geen eilanden liggen, kunnen rasters nuttig zijn. Om nesten van kleinere vogels te beschermen tegen grote meeuwen is het aangewezen om de broedeilanden in te richten in functie van de juiste doelsoorten en om voldoende geschikte broedplaatsen aan te leggen, zodat verschillende soorten gescheiden worden. Voor strandplevier, kluut en stern zijn kale en vegetatiearme eilanden, eventueel afgedekt met schelpen, noodzakelijk. Meeuwsoorten als de zwartkopmeeuw houden van eilanden met een iets rijkere pioniersvegetatie (planten die de bodem heel snel bedekken). Beide types (kaal, vegetatiearm versus iets rijkere pioniersvegetatie) moeten naast elkaar in stand gehouden worden.